


via [omhoog] terug naar het hoofdmenu
ZADELJAKHALS
Canis
mesomelas
Herkomst: Het zuiden en de Hoorn van Afrika
Leefgebied: Savanne, kust, woestijn
Voedsel: Kleine zoogdieren, eieren, vogels, insekten,
reptielen, fruit, aas en de nageboorten van de grote kuddedieren
Grootte: Hoogte +/- 40 cm, lengte 70 - 100 cm, gewicht
6 - 14 kg
Al heel lang bekend met mensen
De
zadeljakhals dankt zijn naam aan de donkere vacht op zijn rug. Pasgeboren jongen
zijn helemaal grijs of donkerbruin, na +/- een maand begint hun "volwassen jas
'' te groeien.
Zadeljakhals
groepen bestaan meestal uit 1 familie, d.w.z. een dominant paartje en jongen van
diverse worpen. Een mannetje en een vrouwtje vormen levenslang een koppel.
Paring en
draagtijd gaan hetzelfde als bij de huishond, het vrouwtje is ook 9 weken
drachtig. De jongen krijgen als ze twee à drie weken oud zijn al bijvoeding, hun
moeder braakt dan voedsel voor ze uit.
Zadeljakhalzen
zijn "hondsbrutaal '' , als leeuwen een prooi te pakken hebben, eten zij meestal
de restjes op, samen met andere aaseters zoals hyena's en gieren. Soms wagen ze
het om iets weg te grissen voordat de leeuwen zijn uitgegeten.
Zij worden
vanwege de te scoren resten en afval ook vaak bij dorpen en steden gezien, maar
dit is niet iets van de laatste tijd! In de tijd van de oude Egyptenaren stonden
zij al bekend als afvalopruimers en aaseters. Zadeljakhalzen kwamen toen veel
voor in de Egyptische dodensteden [begraafplaatsen]. De Egyptische god van de
dood, Anubis, wordt altijd afgebeeld als jakhals.
Er zijn veel
Afrikaanse verhalen en fabels waarin de jakhals als een heel sluw dier voorkomt,
net zoiets als in Europa de verhalen over de vos.
Zie-Zoö

terug naar boven